Veiligheid en levensduur brug niet alleen afhankelijk van geld

Dit bericht is geplaatst op 28 oktober 2013 in Column, Nieuws, Landschapsarchitectuur, Beheer en onderhoud, Mobiliteit
Deel deze pagina

Beeld door Grontmij.

Beeld door Grontmij.

Maandag 14 oktober publiceerde brancheorganisatie Bouwend Nederland een lijst met door de bezuinigingen uitgestelde infrastructurele projecten. Eerder dit jaar brieste oud-voorzitter Elco Brinkman al dat ‘als de overheid het onderhoud van haar infra laat verslonzen dit ten koste gaat van de veiligheid’. Feit is dat het grootste deel van de kunstwerken in de Nederlandse infrastructuur uit de jaren ’50 – ’60 dateert. Het moment dat deze grondig moeten worden aangepakt of helemaal vervangen komt dus heel dichtbij. Maar wie stelt dat bezuinigingen en uitstel in onderhoud per definitie tot onveilige situaties leidt, zaait onnodige paniek.

Kunstwerken die voor 2005 zijn gebouwd, zijn ontworpen om theoretisch gezien minimaal 80 jaar veilig dienst te doen. Vanaf 2005 wordt zelfs een levensduur van 100 jaar aangehouden. Kunstwerken uit de jaren ‘50, ‘60 en ‘70 hoeven dus pas na 80 jaar vervangen te worden. Dus… 2030 moeten we ons pas echte zorgen maken. Bij het maken van deze kunstwerken wist men echter niet dat datzelfde kunstwerk vandaag veel zwaarder belast wordt dan ooit gedacht. Niet alleen zijn voertuigen zwaarder, ook de gebruiksfrequentie is veel hoger. Dit betekent dat onderhoud en vervanging eerder nodig is. Nu we leven in een tijd van economische krimp willen infrabeheerders, zoals de overheid, de levensduur van hun kunstwerken het liefst zo lang mogelijk oprekken. Maar hoe weet hij wanneer dat ten koste gaat van de veiligheid?

Veel partijen maken daarvoor op basis van inspectie, een herberekening van de hiervoor genoemde theoretische staat van het kunstwerk. Daar heeft de beheerder echter niet veel aan. Alleen door de toename in frequentie en grootte van de vervormingen (zoals scheuren) te blijven volgen, kan een gefundeerde uitspraak gedaan worden over de daadwerkelijke staat van het object. Door dit af te zetten tegen het aantal belastingswisselingen en de hoogte van de belastingen, ontstaat een objectief inzicht in de veiligheid en restlevensduur van een constructie. De actuele veiligheid en restlevensduur van een kunstwerk kan dus alleen juist ingeschat worden door het permanent monitoren van het rijdek en het hoofddraagsysteem.

Het gemak waarmee het argument ‘veiligheid’ wordt ingezet om geld los te krijgen voor onderhoud en vervanging van kunstwerken, zaait onnodig paniek bij de beheerder. Van essentieel belang is dat de beheerder op elk moment van de dag weet hoe zijn kunstwerk erbij ligt. Of deze veilig gebruikt kan worden en, als daar twijfels over zijn, hij kan onderbouwen waarop deze twijfels gebaseerd zijn. Alleen dan kan de infrabeheerder bepalen of en in hoeverre zijn investering in onderhoud, de veiligheid en restlevensduur ten goede komt.

Door Wouter Truffino, business developer bij Grontmij.

Dit artikel is afkomstig van advies- en ingenieursbureau Grontmij. Wilt u reageren op dit artikel? Dat kan op de website van Grontmij.


Deel deze pagina